Categorie: Financial management (Page 1 of 6)

CBPP: commons-based peer production

Ruim tien jaar geleden al weer stelde de jurist Yochai Benkler, verbonden aan Harvard University, in zijn The Wealth of Networks dat we aan de vooravond stonden van een nieuwe productiewijze, die op allerlei manieren sterk afwijkt van de klassieke kapitalistische industriële productie-paradigmata en bijbehorende politieke filosofie van eigendom en distributie. Hij noemde deze nieuwe modus ‘commons-based peer-production’, en beweerde dat deze sociale samenwerking zou bevorderen, ambachtelijike bevrediging terug zou brengen bij de werker en uiteindelijk ook nog kwalitatief betere producten zou leveren. De term ‘commons’  of in het Nederlands ‘meent’, verwijst naar een sociaal systeem waarbij bepaalde productiemiddelen gezamenlijk door een gemeenschap worden beheerd en gedeeld, volgens de regels en de normen die zijn gedefinieerd door diezelfde gemeenschap van producenten.

U begrijpt het al: digitalisering maakt dit weer mogelijk, daarbij inbegrepen ontwikkelingen als lokale energievoorziening, 3d-printing en ‘open source’ kennis en informatie. Denk aan Wikipedia, crowd sourcing, GNU/Linux en FLOSS, maar ook aan het OpenBionics-project, dat ontwerpen maakt voor lichtgewicht robot- en bionische apparaten, de Libre Space Foundation in Griekenland, die kleinschalige satellieten produceert, het Atelier Paysan-collectief in Frankrijk, dat landbouwmachines bouwt en WikiHouse, dat de bouw van duurzame, grondstofarme woningen ‘democratiseert’.

 

Meer over de beloften van CBPP in Utopia now.

Nassim Talebs nieuwste: waarom politici, CEO’s en journalisten zo vaak en veel verkeerde keuzes maken

Hoe komt het toch, dat veel zogenaamde experts, CEO’s, politici en andere ogenschijnlijk zeer bekwame mensen, zo vaak net de verkeerde beslissing nemen? Hebben ze soms niet het beste met ons/ hun organisatie voor?  Of zijn ze gewoon incompetent? Nassim Nicholas Taleb, filosoof, zakenman, eeuwige onruststoker en auteur van het baanbrekende Fooled by Randomness en het nog bekender The Black Swan: The Impact of the Highly Improbable, zegt in Skin in the Game: Hidden Asymmetries in Daily Life, zijn nieuwste collectie essays over risico, rationaliteit, toeval en willekeur, dat geen van beide verklaringen de juiste is.

De ware oorzaak is, aldus Taleb, dat die boven ons geplaatsten niet gestuurd en gecorrigeerd worden door de juiste incentives. Zij worden immers beoordeeld en ‘beloond’,  niet op basis van de effectiviteit van hun beleid of de efficiency waarmee ze dat uitvoeren; neen, ze hoeven alleen in een goed blaadje te staan bij hun superieuren (de RvC, de partij). Ze hebben zelden direct persoonlijk belang bij de uitkomsten van hun beslissing.

Fans zullen met groot genoegen Talebs ‘experts problem’ opnieuw zien opduiken in Skin in the Game. Volgens Taleb mogen immers alleen tandartsen, piloten, loodgieters, bouwkundig ingenieurs en “gepromoveerden op Portugese onregelmatige werkwoorden” zich echte experts noemen; terwijl agogen, sociologen, beleidsanalisten en – ambtenaren, managementtheoretici, politici, journalisten  en (macro)economen dat nimmer zijn. Het grote verschil tussen de twee is, dat eerstgenoemden onmiddellijk en persoonlijk gestraft worden voor door hen gemaakte fouten en vergissingen. De tweede categorie rationaliseert mislukkingen steevast weg door de theorie aan te passen of te vervangen: ze hadden het niet echt bij het verkeerde eind, ze waren misschien te vroeg, of men heeft hen verkeerd begrepen. Met een beetje geluk en flux de bouche leidt hun apologie niet tot ontslag, maar resulteert in de ene promotie na de andere, op basis van de ene na de andere mislukking.

Skin in the Game zit weer vol met dergelijke briljante inzichten, sommige al eerder door Taleb geformuleerd, maar vele ook geheel nieuw. Een ervan plaatst hij zelfs trots op de stofomslag, in de vorm van een geciteerde (anonieme) tweet:  “The problem with Taleb is not that he’s an ass – he is an ass— the problem with Taleb is that he is right.” Wie kan het daarmee oneens zijn?

Geheel passend in dit treurig stemmend tijdsgewricht vraagt Taleb zich in hoofdstuk 2, getiteld “The Most Intolerant Wins”  af, waarom we dezer dagen toch zo lijden onder de knoet van “the most easily offended”, de beroepsgekwetsten. Je mag niet roken in de niet-roken ruimtes ( bijna overal dus), maar je hoeft helemaal niet te roken als je in de veel kleinere rokersruimte bent.  Niemand wordt boos als je ‘Fijne feestdagen’ zegt, maar ‘Zalig Kerstfeest!”,  dat is echt not done in bepaalde kringen. Tja, zegt Taleb, het is nu eenmaal zo, dat er altijd voor elk issue fanaten zijn, terwijl de meeste mensen koud noch warm worden van en voor dat onderwerp, en dus niet bereid zijn ervoor op de barricade te gaan. Zo vormden de Christenen in het oude Rome een bijzonder intolerante minderheid, die niet rustte tot de decadente Romeinen ‘bekeerd’ waren; datzelfde dreigt nu te gebeuren met het westen en het islamisme (Taleb komt oorspronkelijk uit Libanon!).

In zijn omgang met heilige huisjes toont Taleb zich een waardig volgeling van de negentiende-eeuwse Franse contraire denker Frédéric Bastiat, net als hij niet wars van choquerende aforismen en uitspraken ( “Il y a trop de grands hommes dans le monde ; il y a trop de législateurs, organisateurs, instituteurs de sociétés, conducteurs de peuples, pères des nations, etc. Trop de gens se placent au-dessus de l’humanité pour la régenter, trop de gens font métier de s’occuper d’elle”, in La Loi uit 1850).

Zo wees Bastiat er al op, dat als de staat iets bevordert door bijvoorbeeld belastingen te verhogen (denk aan de energietransitie!), altijd een klein aantal burgers daar veel bij te winnen heeft en zich daar dus erg sterk voor zal maken – terwijl de massa niet de moeite zal nemen om zich tegen die paar centen minder besteedbaar inkomen. Daardoor groeit het aantal wetten, regelingen, uitzonderingen, toeslagen en kortingen exponentieel, zonder dat iemand zich afvraagt waar we in ’s hemelsnaam mee bezig zijn, qua effectiviteit en efficiency…

Dit is slechts een van de voorbeelden van de ‘asymetrieën’ in Talebs ondertitel. Als u benieuwd is naar het Lindy effect, het Jodendom versus Scientoloy, Shakespeare versus Stephen King, Wittgenstein en de wetenschapsfilosofie, korte versus lange-termijn investeringen, kansberekening versus risicobeheersing, en nog veel meer pareltjes, koop en lees dan snel

Skin in the Game: Hidden Asymmetries in Daily Life

On-demand professionals in de gig economy

Wij leven steeds meer in een ‘on-demand’ samenleving. We eisen on-demand nieuws, on-demand bevestiging van onze levensstijl en politieke preferenties, en on demand bevrediging van materiële behoeften. Vanzelfsprekend ervaart ook het bedrijfsleven de gevolgen van dit geheel nieuw umfeld, dat optimale flexibiliteit eist, en waarin kernprocessen en het talent dat daar in back- en front office voor nodig is vrijwel in real-time moet worden gemanaged. Daar komt nog bovenop, dat de daarbij zo broodnodige talenten, hooggekwalificeerde, hoogopgeleide werknemers, steeds meer ook zelf staan op flexibele arbeidsvoorwaarden.
Een van de bijwerkingen van deze nieuwe on-demand economie is, dat ook het ‘werk’ door organisaties on demand, dus projectmatig wordt aangepakt. Dat vertaalt zich in een nieuwe benadering van de (benodigde) bemensing: het gaat steeds vaker om het optimaal afstemmen van de essentiële vereisten die het project in kwestie stelt, met/en de vaardigheden / expertise die beschikbaar is in de totale talentenpool van de organisatie in de meest brede zin. Die bestaat primair uit de eigen medewerkers in vaste dienst, maar ook en steeds vaker wordt een beroep gedaan op de bredere ‘talentenbank’, die gevuld is met vertrouwde freelancers en onderaannemers – een uitgebreid netwerk van ‘on demand’ beschikbare ervaring en talent.
Volgens het recente Ardent Partners rapport The State of Contingent Workforce Management maakt momenteel al 56% van de organisaties actief gebruik van dit soort talentenplatforms, en spelen deze een sleutelrol bij het vervullen van de talentbehoeften van elk nieuw bedrijfsproject. De meeste van deze platforms zijn gespecialiseerd in specifieke niches, dan wel in ‘verticale’ vakgebieden (zoals finance, buitendienst-, industriële operators dan wel ambachtslieden); steeds vaker maken zij gebruik van unieke zelf-ontwikkelde algoritmen om de klantorganisatie te helpen de beste afstemming tussen project en potentiële freelancer of externe kracht te realiseren.
Een interessant bijkomend fenomeen in deze nieuwe wereld van werk is dat (arbeids)kosten minder belangrijk worden in de kostenhiërarchie. Niet dat minimalisering van de kosten van vast en tijdelijk personeel geen prioriteit meer is – maar het kunnen beschikken over de vereiste talenten en ervaring is inmiddels belangrijker dan factoren als de locatie en de benodigde expertise.
Het werk wordt op nieuwe manieren aangepakt, het benodigde talent wordt anders geworven en ingezet en is belangrijer dan kosten en budgetten. Al deze aspecten worden ondersteund door technologie, die flexibiliteit, transparantie en voortdurende consumerization van de ‘operations’ en het bijbehorende wereldwijde personeelsbestand mogelijk maakt.
Het nieuwe werken is dáár, en daarmee ook een geheel nieuwe benadering van hoe bedrijven hun ‘menselijk kapitaal’ vinden, engageren en uiteindelijk ook ‘managen’. Uit het onderzoek van Ardent blijkt, dat inmiddels 40% van de global workforce bestaat uit ‘non-employee talent’: onderaannemers, zzp’ers, freelancers, dienstverleners en uitzendkrachten. En let wel: die 40% dient in de Gig-economy niet, zoals voorheen de uitzendkracht, om tijdelijke capaciteitsfricties op te lossen, maar speelt een geheel eigen, cruciale en onmisbare rol in de moderne ‘agile’ organisatie.

big four straffen

Weer poging tot opsplitsing Big Four

De Britse financiële toezichthouder FRC heeft bij monde van CEO Stephen Haddrill aan de eveneens Britse Competition and Markets Authority  gevraagd om een ​​onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van splitsing van de Big Four-accountantskantoren KPMG, Deloitte, PwC en EY. Deze zouden opgebroken moeten worden in afzonderlijke ‘audit only’, dan wel adviserende en dienstverlenende organisaties.  Het doel zou dan zijn om de concurrentie op de jaarrekeningcontrolemarkt te vergroten en om belangenconflicten te voorkomen, die blijkbaar steeds weer voortvloeien uit de dominante positie van de vier bedrijven in het Verenigd Koninkrijk.

Onderzoek van Manifest wees recent uit, dat de grote vier de boeken controleren van alle FTSE-350 bedrijven – op slechts negen van hen na. Er is dus geen sprake van echte concurrentie op de markt, meent de FRC. Critici van de dominante positie van de grote vier wijzen bovendien op de reële mogelijkheid dan wel waarschijnlijkheid van belangenconflicten, die voortvloeien uit de snelle groei van de consultingtakken, vooral op het terrein van fiscale planning.

Verder blijven er vraagtekens gezet worden bij de kwaliteit van de Big-Four audits: de interventie van Haddrill volgt op een nieuwe reeks niet adequaat door de accountants opgemerkte boekhoudschandalen, zoals die van Carillion in Groot-Brittannië, Steinhoff in Zuid-Afrika en Petrobras in Brazilië. Als gevolg daarvan is er duidelijk sprake van “a loss of confidence in audit, and I think that the industry needs to address that urgently,” aldus Haddrill tegen de Financial Times. “In some circles, there is a crisis of confidence.”

 

 

Ook Financials zijn te koop

“Execs with accounting skills more likely to cook the books,” concluderen onderzoekers in hun bijdrage aan de online-early sectie van The Accounting Review met de omineuze titel “Do Auditors Recognize the Potential Dark Side of Executives’ Accounting Competence?”

Wat blijkt? CFO’s en controllers die zéér deskundig zijn op hun vakgebied zijn eerder bereid tot administratieve malversaties dan hun professioneel minder begenadigde collegae – als daar de nodige  financiële incentives tegenover staan.

De controlerend accountant moet bij het beoordelen van de boeken letten op allerlei signalen en omstandigheden die kunnen wijzen op boekhoudfraude, -trucs en fouten. Het onderzoek van Elaine Mauldin, professor of accountancy aan de University of Missouri, c.s., voegt een nieuw en onverwacht risico toe aan die verzameling:     “Competence, alone, is a great thing,” zegt Mauldin.  “Research has actually shown that, in general, it results in fewer misstatements. However, we found that when both competence and financial incentives are present, this dark side of accounting competence emerges.”

De onderzoekers koppelden (onregelmatigheden in) jaarverslagen uit de periode 2004-2013 aan de kennis en ervaring van de daarvoor verantwoordelijke financial executives, zoals op te maken uit hun cv’s.  Zij focusten op twee factoren die, tezamen met financieel-administratief vakmanschap,  de kans op materiële onjuistheden in de rapportage beïnvloeden, namelijk ‘compensation incentives’, bonussen gekoppeld aan de financiële performance, en een ‘aggressive reporting attitude’ die vastgesteld werd op basis van de manier van verslaggeven.

Deze factoren vormen met ‘competentie’ als derde ‘opportunity’ factor een zogenaamde fraudedriehoek:  de kans dat financiële executives met ‘high accounting competence’ en incentives in de beloningssfeer verantwoordelijk zijn voor financieel-administratieve onregelmatigheden is 30% hoger dan statistisch te verwachten. Ontbreekt die professionele deskundigheid, maar blijven de incentives, dan daalt de kans tot 4%. De agressieve attitude helpt ook mee (dan wel: werkt tegen!), maar slechts zeer beperkt.

Paradoxaal genoeg blijken accountants in de regel lagere fees te berekenen aan CFO’s die zij vakmatig hoogachten, aldus de onderzoekers – daaruit kun je concluderen dat zij die competentie als risicoverlagend zien, in plaats van als risicoverhogend.  “These executives have both the incentive and ability to change the books,”  zegt Mauldin. “On the other hand, competence lulls auditors into a sense of security. Auditors need to be aware of the heightened risk these executives represent.”

Misschien ook een tip voor de FIOD?

EU en Green Finance

De Europese Commissie maakte recent haar strategie bekend, die  onder andere moet leiden tot een duurzaam financieel stelsel, dat de EU-agenda voor klimaat en duurzame ontwikkeling ondersteunt en dat bijdraagt aan de overgang naar een duurzame economie.  De Commissie stelt in dat kader ook voor om het mandaat van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) te verbreden. Een van de 10 acties die in het plan zijn opgenomen, is het versterken van de regelgeving met betrekking tot de verslaggeving over duurzaamheid(sinspanningen).

De Commissie heeft ook aangekondigd dat zij uiterlijk in het tweede kwartaal de regelgeving inzake niet-financiële informatieverschaffing zal herzien, in overeenstemming  met de aanbevelingen van de Task Force on Climate-related Financial Disclosures van de Financial Stability Board. Verder zal een European Corporate Reporting Lab (ECRL) worden opgericht, als onderdeel van de EFRAG, met het doel best practices qua duurzaamheidsverslaggeving en milieuaccounting door ondernemingen te identificeren, ontwikkelen en distribueren. EFRAG noemt de oprichting van een ECRL “een kans om belanghebbenden samen te brengen om echte innovatie te bevorderen, nu het verslaggevingslandschap zo snel verandert.” De Commissie vraagt ​​EFRAG ook de impact van nieuwe IFRS standaarden op duurzame investeringen te beoordelen.

Naast het bovenstaande noemt het actieplan ook:

  • De ontwikkeling van een gemeenschappelijke taal voor ‘sustainable finance’, definiëring van wat ‘duurzaam’ in dat kader betekent en inhoudt, en bepaling van waar duurzame investeringen de grootste impact kunnen hebben;
  • Het creëren van EU-labels voor groene financiële producten op basis van een gecertificeerd EU-classificatiesysteem;
  • Verduidelijking van de verplichting voor vermogensbeheerders en institutionele beleggers om rekening te houden met duurzaamheid in het beleggingsbeleid en –proces, inclusief de betreffende rapportageverplichtingen;
  • Verplichting voor verzekeraars en beleggingsadviseurs om klanten te adviseren over duurzaamheid op basis van hun voorkeuren
  • Het integreren van duurzaamheidseisen in de regels voor prudentiële criteria voor de financiële sector. De Commissie zal nagaan of het haalbaar is bijvoorbeeld kapitaalvereisten voor banken opnieuw te berekenen, wanneer dit vanuit het perspectief van duurzaamheidsrisicobeheersing gerechtvaardigd is en de financiële stabiliteit gewaarborgd blijft.

Human Capital theorie: wapen uit de Koude Oorlog backfires

In 1960 spreken twee hoogleraren, Theodore ‘Teddy’ Schultz, president of the American Economic Association, en Milton Friedman, bekend van The Chicago School, met de nodige bezorgdheid over de nieuwe verantwoordelijkheid, die hun als topeconomen door de Amerikaanse overheid op de schouders gelegd is: economisch beleid wordt ineens gezien als een even belangrijk wapen in de Koude Oorlog als ballistische raketten.

In Moskou heeft Nikita Chroesjtsjov namelijk juist verkondigd dat ‘de groei van de industriële en landbouwproductie de stormram zal zijn, waarmee de Sowjet Unie het kapitalistische systeem kapot zal gaan maken’. Deze provocatie veroorzaakte de nodige opschudding, toen de betreffende toespraak van de communistische leider werd voorgelezen aan het Amerikaanse Joint Economic Committee of Congress. Een groep machtige technocraten in de Amerikaanse regering  en de Council of Economic Advisers werd prompt door het Oval Office geïnstrueerd om een ​​groeistrategie te ontwikkelen, die die van de USSR zal overschaduwen en de vijand voorgoed zal verpletteren.

De twee kopstukken van de Chicago school twijfelen er niet aan, of zij in staat zouden zijn om een relevante bijdrage te leveren aan deze nieuwe vorm van oorlogvoering, maar over het hoe en wat zijn ze het niet helemaal eens. Schultz gelooft ook, dat de VS zelf op eigen schaal en manier hetzelfde wapen, ‘economische groei’, moeten inzetten, en Friedman is het daar mee eens. Maar de laatste ziet wel een probleem.

Schultz is aanhanger van neoklassieke theorieën over groei en ontwikkeling, geleerd van zijn eerdere studies over de productiviteit in de landbouw: een verhoging van overheidsuitgaven voor onderwijs is absoluut essentieel voor de groeiagenda van de natie. Kennis geeft de VS niet alleen een wetenschappelijk concurrentievoordeel in de ruimtewedloop (de Sowjet Unie dreigt even die te winnen), maar voegt ook aanzienlijke waarde toe aan de nationale voorraad ‘kenniskapitaal’ van het land, waardoor de productiviteit kan stijgen en de Sovjets in hun eigen ‘groeigame’ verslagen zullen kunnen worden.

Friedman echter ziet niets in verhoging van overheidsuitgaven, wars als hij is van ‘big governement’ en centrale planning. De Sovjet-vijand moet verslagen worden met individuele vrijheid en kapitalistisch ondernemerschap. Overheid is voor Friedman het probleem, niet de oplossing.

Dan komt Schultz met het concept ‘human capital’, menselijk kapitaal, op de proppen. Geen nieuw idee – Adam Smith wees er al op, hoe de kennis en vaardigheden die werknemers hebben verworven (via scholing, opleiding en training) economische waarde aan een onderneming kunnen toevoegen. De legende gaat dat Schultz plotseling het belang van human capital inzag, na een bezoek aan aeen arm boerengezin. Gevraagd waarom ze niet ontevredener waren met hun schamele lot, antwoordden ze: “omdat we onze kinderen naar school hebben kunnen laten gaan!”. Schultz was zó geïnspireerd, dat hij zijn docenten en promovendi actief pushte om een ​​meer robuuste en formalistische theorie van menselijk kapitaal te ontwikkelen. Zou de VS niet kunnen winnen door te investeren in menselijk kapitaal?

Ook Friedman is gefascineerd door het begrip ‘menselijk kapitaal’, maar vanuit een heel andere invalshoek. Anders dan geld, grond of machines kan menselijk kapitaal  niet conceptueel los gezien of gemaakt worden van de persoon die het bezit. Ook als dat kapitaal groeit, bijvoorbeeld door subsidie van overheid of werkgever, blijft het privé bezit. Dus is het volgens Friedman c.s. zakelijk gezien onzin voor een werkgever (of overheid) om te investeren in training en opleiding van werknemers –  diezelfde investering kan morgen letterlijk de deur uit lopen, om bij de concurrentie te gaan werken.

Om een lang verhaal kort te maken: Friedman won uiteindelijk. De pogingen van het Schultz-kamp in de US overheid om de federale onderwijsuitgaven drastisch te verhogen, werden in 1961 en 1963 smadelijk verworpen. Wat nog belangrijker is, de negatieve gevolgen van Friedman’s conceptuele overwinning op Schultz zijn nog steeds merkbaar. Er loopt een duidelijke rode draad van zijn overwinning in 1960 in het debat over wie precies verantwoordelijk is voor investeringen in menselijk kapitaal naar de inmiddels catastrofaal opgelopen nationale studieschulden in de VS, het VK en vele andere landen. Ja, ook ons land!

De onderliggende boodschap van de human capital-theorie klinkt er nog steeds in door. Friedman vatte het vrolijk samen in een pittige slogan in de jaren ’70: There’s no such thing as a free lunch.

Meer lezen?

How the Cold War led the CIA to promote human capital theory, door Peter Fleming, professor of business and society aan de Cass Business School at City, University of London.

Duurzaam kapitalisme

Sinds de Verenigde Naties in het najaar van 2015 de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals, SDG’s) opstelden in hun  Agenda voor Duurzame Ontwikkeling  is “longtermism” oftewel Langetermijndenken een ‘hot’ onderwerp voor  in elk geval de grote investeerders van het kapitalisme, fondsbeheerders als Blackrock of ons eigen APG (voorheen ABP). Plotseling verklaren deze aandeelhouders zich voorstander van ‘duurzaam en maatschappelijk investeren op en voor de lange termijn’, in plaats van gericht te blijven op snel en hoog rendement. Het was overigens McKinsey, dat al in 2011 in de Harvard Business Review de basis legde voor een snel groeiend corpus literatuur over dit onderwerp, door een expliciete koppeling te leggen tussen de algehele ‘gezondheid’ van organisaties en hun sociale verantwoordelijkheid.

Het was ook McKinsey, dat in 2016 een van de oprichters was van FCLTGlobal (Focusing Capital on the Long Term). Deze non-profit zag haar ledental in de afgelopen 18 maanden verdubbelen, van 18 naar 42 wereldwijde asset owners, CEO’s en ondernemingen. FCLTGlobal is “een non-profitorganisatie, die zich hard maakt voor meer lange-termijnfocus bij het nemen van bedrijfsmatige  beslissingen en investeringen”, door het ontwikkelen van praktische instrumenten en beleid ter ondersteuning van lange-termijngericht gedrag en attitude in de hele ‘investment value chain’.

“Wij willen praktisch bruikbaar tegengif ontwikkelen en aanbieden voor het kortetermijndenken, dat zo lang de financiële keten heeft gekenmerkt,” aldus CEO  Sarah Williamson  tijdens  de recente FCLT-summit in New York. “Er wordt op zó veel plaatsen in de waardeketen druk uitgeoefend om op de korte termijn te denken; duurzame verandering kan alleen effectief worden aangestuurd en – gedreven door grote investeerders, vermogensbeheerders en ondernemingen zelf. De samenleving lijdt aanzienlijke schade door die overweldigende korte-termijndruk die de de lange-termijndoelen en ambities overspoelt. Wij van FCLT proberen dat tij te keren. ”

Inmiddels heeft FCLTE een aantal spraakmakende rapporten gepubliceerd. Een van de beleidsprioriteiten is nu ‘the long term Board’, het ondersteunen en promoten van RvB’s en RvC’s  die oog hebben voor de langere termijn.  “Er is veel onderzoek te doen op dit gebied: wat de ideale samenstelling van de Board zou moeten zijn, welke prioriteiten er gesteld moeten worden,” zegt Mark Wiseman, voorzitter van de Board van FCLTGlobal. “We zijn begonnen met het interviewen van familiebedrijven, die al enkele generaties bestaan. Daar kwam bijvoorbeeld de ‘Zoë-factor’ ter sprake – het kleinkind van de huidige CEO/eigenaar – hoe zal de onderneming eruit zien als haar tijd gekomen is? Dat soort overwegingen en criteria zou elke board moeten hanteren.”

De volgende FCLT-top is gepland voor 2020 – voor lange-termijnstrategen voorwaar al snel.

Pacioli’s Lens: God, Humanism, Euclid, and the Rhetoric of Double Entry

In dit interessante artikel onderzoekt auteur Alan Sangster (University of Sussex) hoe het mogelijk was, dat monnik en wiskunde leraar Luca Pacioli in 1494 een leerboek kon publiceren, waarin voor het eerst op logische wijze het systeem van dubbel boekhouden wordt uitgelegd. Pacioli was Franciscaan, maar verdiende de kost als rondreizend wiskundedocent; tot hij in 1497 de eervolle uitnodiging van Ludovico Sforza accepteerde om aan zijn hof in Milaan te komen werken. Daar gaf hij onder meer les aan Leonardo da Vinci, eveneens beschermeling van Sforza, die naar men aanneemt zelf de illustraties bij enkele van Pacioli’s publicaties tekende. Recente bevindingen over Pacioli’s leven en werken, zijn geschriften en de middeleeuwse boekhoudingen zoals bewaard in Italiaanse archieven (zie bijv. ook Iris Origo, The Merchant of Prato) worden gecombineerd om te onderbouwen, hoe hij werd geïnspireerd om de zakenlieden van zijn tijd de rekenkundige en boekhoudkundige kennis bij te brengen, die ze in de bloeiende Italiaanse economie zo goed konden gebruiken.

Het artikel constateert dat Pacioli’s lesmethode was geïnspireerd op de axiomatische methode van  Euclides van Alexandrië; daarnaast door zijn Franciscaanse opleiding en door zijn humanistische overtuigingen. Hij was een echte ‘Renaissance-mens, en wist zich een verbazingwekkend brede kennis te verwerven – over theologie, maar ook over zaken doen, militaire wetenschappen, wiskunde, geneeskunde, kunst, muziek, recht en taal. Hij geloofde sterk in de onderlinge verwevenheid van deze zeer uiteenlopende disciplines, en in het speciale belang van wiskunde en, ja ook, de dubbele boekhouding, die harmonie en evenwicht brengen in de chaos van het dagelijks bestaan, en deze ook laten zien.

Alan Sangster (2017) Pacioli’s Lens: God, Humanism, Euclid, and the Rhetoric of Double Entry. The Accounting Review In-Press, https://doi.org/10.2308/accr-51850

Warren Buffett put inspiratie en geduld… uit poëzie

Croesus Warren Buffett schreef en publiceerde weer zijn jaarlijkse letter to shareholders. Naar deze brief aan de aandeelhouders wordt telkens met smart en hoop uitgekeken, omdat daarin het zogenaamde ‘Oracle of Omaha’ uiteenzet hoe hij over het economische klimaat denkt.

Vooral dit jaar, nu zijn brief  snel na een ongehoorde ‘marktcorrectie’ op Wall Street kwam. Buffett wijst zijn aandeelhouders erop, dat dergelijke correcties onvermijdelijk zijn, en bekent dat hijzelf sinds 1973 al vier keer  slachtoffer is geweest van zo’n plotselinge ‘krach’. Overigens blijkt Berkshire Hathaway in 2017 $ 29 miljard extra verdiend te hebben door Trumps belastinghervorming (Buffett is persoonlijk van mening dat de rijken veel zwaarder belast zouden moeten worden).

“Het grootste gevaar,” zegt hij in de brief, “is dat je als belegger in paniek raakt door al die krantenkoppen en hysterische commentaren. En paniek is altijd een slechte raadgever!”

Zelf, aldus Buffett, ga ik altijd te rade bij het gedicht If… van Rudyard Kipling  uit 1895:

    If you can keep your head when all about you are losing theirs…

    If you can wait and not be tired by waiting…

    If you can think – and not make thoughts your aim…

    If you can trust yourself when all men doubt you…

    Yours is the Earth and everything that’s in it.

 

Als u bij zinnen blijft, terwijl anderen die verliezen …

Als u af kunt wachten en uw geduld bewaart…

Als u blijft nadenken – en u niet verdwaalt in theorieën …

Als u uw zelfvertrouwen houdt, terwijl iedereen aan u twijfelt …

Dan zij u de glorie, de hemel, en al wat de aarde geeft.

Page 1 of 6

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén