De enorme hoeveelheid gegevens, die organisaties dezer dagen ter beschikking hebben, kan de basis vormen voor hogere productiviteit en innovatie. Maar er schuilen ook gevaren in. Naast de kwetsbaarheid van de systemen (en onze afhankelijkheid ervan) en de risico’s van vooroordelen bij zowel verzameling als interpretatie van de data, lopen we ook het gevaar dat subjectieve ervaring, gezond verstand en intuïtieve waardeoordelen (levenswijsheid?) uit de gratie raken.  Het menselijk oordeelsvermogen – gebaseerd op talent en ervaring – is ouderwets geworden. Meten is weten, meten is in.

Gedragspsychologen spiegelen ons wat graag voor dat en hoe oordelen (te) vaak gebaseerd zijn op vooroordelen, resulterend in ongerechtvaardigde discriminatie. Als tegengif voor die ‘bias’ worden dan ‘de harde empirische data’ voorgesteld en bewierookt. Die ‘evidence’ vertelt immers objectief de onbetwistbare waarheid. Geen wonder dat ‘gemeten’ prestaties gezien worden als panacee voor ons wantrouwen vis-à-vis de professionaliteit van het onderwijs, de zorg, de politie en andere (semi)overheidsinstanties. Geen wonder dat algoritmen en big data gezien en gepromoot worden als hét instrument om de productiviteit te verhogen. Geen wonder dat geraadpleegde consultants eerst meer onderzoek en meer onderzoeksresultaten eisen, voordat ze een rapport met voldoende diepgang kunnen formuleren.

De glimmende computer versterkt dat geloof in ‘harde data’ nog eens extra, door de enorm toegenomen mogelijkheden om deze te verzamelen, vast te leggen en te analyseren. Hoe meer we meten, hoe meer we weten. Verwoed zoeken organisaties vragen bij al die antwoorden. Wie heeft er nog behoefte aan ervaring, talent en gezond verstand?

Niet in de laatste plaats danken wij deze waan aan de MBA’s en hun business school goeroes, die ‘managemenmt’ vervangen door managerialisme. Managerialisme gaat uit van de idee, dat alle organisaties in wezen gelijk zijn, en dus ook met een en dezelfde set instrumenten gemanaged kunnen worden. Daarmee is management dus geen kunst of zelfs kunde, maar een techniekje dat je kunt leren en dat je recht van de collegezaal komend overal ter wereld en in elke branche kunt toepassen. Of je nu een rector magnificus bent, een directeur generaal, een zorgmanager of de CEO van een niche-speler, al wat je nodig hebt zijn voldoende data en de tools (of de hulp van consultants) om die te analyseren. Dan kan het met en in de besluitvorming niet meer mis gaan.

We zijn inmiddels overgefixeerd geraakt op metingen en metrieken. We geloven (half) dat het menselijk oordeel, gebaseerd op talent en ervaring, heus vervangen kan worden door protocollen (algoritmes!) en gestandaardiseerde data. We denken dat medewerkers hun werk optimaal verrichten als ze maar de quota halen (zelfs qua diversiteit!) en aan kunnen tonen zich aan de regels te houden. Daarop beoordelen en belonen we hen ook, van hoog tot laag.

Als we gegevens gebruiken om echt de effectiviteit van het menselijk handelen te verbeteren. Het is funest als we diezelfde gegevens gebruiken om te straffen en te belonen. De Nederlandse politie oogst slechts hoon, als ze beweren hun werk goed te doen omdat er steeds minder aangifte gedaan wordt en er steeds minder boeven gevangen zitten. Een chirurg in een academisch ziekenhuis zal meer patiënten onder haar hand zien sterven dan een collega in Dokkum of Venlo. Gegevens zeggen niets zonder een menselijk oordeel over de betekenis, relevantie en representativiteit ervan – laat staan dat ze an sich de basis voor verstandig beleid kunnen vormen.

 

Who needs judgement when you’ve got data? You do!