Maand: maart 2018 (Page 1 of 2)

Algoritmen recruitmentsector talent management

AI, Europa en Frankrijk: Le rapport Villani

“China wants to shape the global future of artificial intelligence,” waarschuwt de MIT Technology Review op 16 maart van dit jaar. China investeert niet alleen enorm veel geld en talent in AI –het doel is ook expliciet op korte termijn de wereldwijde normen voor de technologie vanuit China vast te stellen. In november van het vorig jaar kwamen honderden Chinese academici, onderzoekers uit de industrie en experts van de overheid bijeen in Beijing om het nationale AI-beleid te bespreken. De notulen van deze bijeenkomst, onlangs alleen in het Chinees gepubliceerd, laten onomwonden zien hoe de Chinezen zich bewust zijn van de potentiële impact van de technologie, en niet van plan zijn hier de tweede of derde viool te spelen. De Chinese bedrijven (en overheid) zullen zich aan de door China gestelde normen moeten houden, en aangezien hun technologie zich snel wereldwijd verspreidt, zou dit China kunnen helpen de facto de technologie te definiëren. Nu al voegen Chinese giganten als Tencent en Alibaba in rap tempo AI-capaciteiten toe aan hun cloud-aanbod, en zij verkopen deze diensten met veel succes ook in het buitenland (zie “Inside the Chinese lab that wants to wire the world with AI”).

De voorlopige voorsprong van de VS op dit terrein is of was evident; even evident is de achterstand van Europa, dat vooral veel babbelt, zich zorgen maakt over de ethiek van kunstmatige intelligentie – en of er wel genoeg vrouwen en niet-westerse allochtonen in het domein werkzaam zijn. Alleen Frankrijk  doet serieuze pogingen, om de concurrentiepositie van het eigen land (en vooruit, daarmee ook van Europa…) op AI-gebied te verstevigen. In dat kader verscheen gisteren het lang verbeide Rapport Villani, met de Franglais titel AI for humanity, l’intelligence artificielle au service de l’humain. Met dit rapport presenteert president Macron “la stratégie française sur l’intelligence artificielle”.

De informele naamgever van het rapport, Cédric Villani, is niet alleen een uiterst begaafd mathematicus (o.a. ontvanger van de Nobelprijs voor wiskunde, de Field Medal) maar ook politicus en lid van de Assemblée Nationale. Zeg maar een beter gelukte versie van onze Plasterk, die flamboyanter nog dan deze  altijd gekleed gaat in driedelig zwart kostuum, overhemd met dubbele manchetten en een lavallière, en die met trots de bijnaam ‘Lady Gaga of Mathematics’ draagt.

Deze wetenschappelijke rock star van 44 jaar is inmiddels het vaste aanspreekpunt van technocraat Emmanuel Macron, die hem overal mee naar toe sleept op zijn handelsmissies. De president benoemde hem ook tot voorzitter van de commissie, die Frankrijks beleid ten aanzien van AI moest vormgeven.

Villani is tevreden met het resultaat van zijn groep. “Ik denk dat we de diagnose hebben gesteld, ik denk dat we verstandige aanbevelingen hebben kunnen formuleren en ik denk dat we genoeg experts hebben gehoord om redelijk zeker te zijn dat deze aanbevelingen de state-of-the-art weerspiegelen.”

Het Villani-rapport bestaat uit een zestal delen:

Partie 1 — Une politique économique articulée autour de la donnée

Waarin gepleit wordt voor een “Europees gegevens-ecosysteem” en een strategische keuze voor vier toepassingssectoren: santé, environnement, transports-mobilités et défense-sécurité. Daarnaast voor een zware verantwoordelijkheid en actieve rol van de overheid.

Partie 2 — Pour une recherche agile et diffusante

Oftewel intensieve Europabrede samenwerking van wetenschappelijke instellingen, die daartoe moeten kunnen beschikken over “d’outils de calcul qui leur permettent de rivaliser avec les moyens quasi-illimités des grands acteurs privés”, dus evenveel rekenkracht (en gegevens?) als de giganten Google, Facebook, Amazon en Apple.

Partie 3 — Anticiper les impacts sur le travail, l’emploi et expérimenter

AI zal ons op alle vlakken raken – van werk tot wetenschap. Met speciale aandacht voor:

Partie 4 — L’intelligence artificielle au service d’une économie plus écologique

Wellicht kan Europa zich hier onderscheiden van de VS en China, hopen Villani c.s. : “La France et l’Europe peuvent devenir le fer-de-lance de cette transition écologique intelligente, d’abord en inscrivant le sujet à l’agenda international.”

Partie 5 — Quelle éthique de l’IA ?

De commissie waarschuwt vanzelfsprekend voor de aan AI toegeschreven morele en ethische gevaren, en pleit voor het oprichten van een Europese ethische commissie en het formuleren van een bijpassende gedragscode.

Partie 6 — Pour une IA inclusive et diverse

Als laatste onderdeel mocht natuurlijk het inmiddels obligate geblaat over “meer vrouwen en andere zwakkeren in de AI zijn nodig” niet ontbreken. Maar dat stukje tekst is gelukkig niet zo lang.

Het rapport Villani is hier te telechargeren.

Wat is het geheim van vrouwen die het wél maken?

In een bijzonder belangwekkend onderzoek van Korn Ferry in samenwerking met de Rockefeller Foundation, interviewden de researchers 57 vrouwelijke CEO’s van grote Amerikaanse ondernemingen, met als doel hun carrièrepaden te ontrafelen en daar iets zinnigs uit te destilleren.

Een artikel dat de resultaten beschrijft kunt u hier online lezen, het  uitgebreide eBook kunt u hier downloaden . Wilt u alleen de essentialia van de geheimen achter het succes van de dames tot zich nemen, zie hieronder.

 

(klik voor vergroten)

On-demand professionals in de gig economy

Wij leven steeds meer in een ‘on-demand’ samenleving. We eisen on-demand nieuws, on-demand bevestiging van onze levensstijl en politieke preferenties, en on demand bevrediging van materiële behoeften. Vanzelfsprekend ervaart ook het bedrijfsleven de gevolgen van dit geheel nieuw umfeld, dat optimale flexibiliteit eist, en waarin kernprocessen en het talent dat daar in back- en front office voor nodig is vrijwel in real-time moet worden gemanaged. Daar komt nog bovenop, dat de daarbij zo broodnodige talenten, hooggekwalificeerde, hoogopgeleide werknemers, steeds meer ook zelf staan op flexibele arbeidsvoorwaarden.
Een van de bijwerkingen van deze nieuwe on-demand economie is, dat ook het ‘werk’ door organisaties on demand, dus projectmatig wordt aangepakt. Dat vertaalt zich in een nieuwe benadering van de (benodigde) bemensing: het gaat steeds vaker om het optimaal afstemmen van de essentiële vereisten die het project in kwestie stelt, met/en de vaardigheden / expertise die beschikbaar is in de totale talentenpool van de organisatie in de meest brede zin. Die bestaat primair uit de eigen medewerkers in vaste dienst, maar ook en steeds vaker wordt een beroep gedaan op de bredere ‘talentenbank’, die gevuld is met vertrouwde freelancers en onderaannemers – een uitgebreid netwerk van ‘on demand’ beschikbare ervaring en talent.
Volgens het recente Ardent Partners rapport The State of Contingent Workforce Management maakt momenteel al 56% van de organisaties actief gebruik van dit soort talentenplatforms, en spelen deze een sleutelrol bij het vervullen van de talentbehoeften van elk nieuw bedrijfsproject. De meeste van deze platforms zijn gespecialiseerd in specifieke niches, dan wel in ‘verticale’ vakgebieden (zoals finance, buitendienst-, industriële operators dan wel ambachtslieden); steeds vaker maken zij gebruik van unieke zelf-ontwikkelde algoritmen om de klantorganisatie te helpen de beste afstemming tussen project en potentiële freelancer of externe kracht te realiseren.
Een interessant bijkomend fenomeen in deze nieuwe wereld van werk is dat (arbeids)kosten minder belangrijk worden in de kostenhiërarchie. Niet dat minimalisering van de kosten van vast en tijdelijk personeel geen prioriteit meer is – maar het kunnen beschikken over de vereiste talenten en ervaring is inmiddels belangrijker dan factoren als de locatie en de benodigde expertise.
Het werk wordt op nieuwe manieren aangepakt, het benodigde talent wordt anders geworven en ingezet en is belangrijer dan kosten en budgetten. Al deze aspecten worden ondersteund door technologie, die flexibiliteit, transparantie en voortdurende consumerization van de ‘operations’ en het bijbehorende wereldwijde personeelsbestand mogelijk maakt.
Het nieuwe werken is dáár, en daarmee ook een geheel nieuwe benadering van hoe bedrijven hun ‘menselijk kapitaal’ vinden, engageren en uiteindelijk ook ‘managen’. Uit het onderzoek van Ardent blijkt, dat inmiddels 40% van de global workforce bestaat uit ‘non-employee talent’: onderaannemers, zzp’ers, freelancers, dienstverleners en uitzendkrachten. En let wel: die 40% dient in de Gig-economy niet, zoals voorheen de uitzendkracht, om tijdelijke capaciteitsfricties op te lossen, maar speelt een geheel eigen, cruciale en onmisbare rol in de moderne ‘agile’ organisatie.

A Little Bang Theory

Cosmogenesis….

Zeven cruciale technologieën

In de Sloan Management Review beschrijft Albert Segars, Distinguished Professor at the University of North Carolina Kenan-Flagler Business School, de zeven belangrijkste technologieën-van-de-toekomst. Dat zijn: pervasive computing, wireless mesh networks, biotechnology, 3D printing, machine learning, nanotechnology, en robotics. Hoe zullen zij de wereld in de komende periode vorm gaan geven?

Voor leidinggevenden is dat de cruciale vraag, en het antwoord zal bepalen hoe binnen niet al te lange tijd ‘waarde’ zal worden gedefinieerd, hoe bedrijven zullen worden gestructureerd en gemanaged,  en waar nieuwe kansen voor winstgevende groei liggen.

Al deze zeven technologieën onderscheiden zich door drie kenmerken, die hen significant anders, geavanceerder en invloedrijker maken dan de technologie van eerdere ‘industriële revoluties’ (we staan aan de vooravond van de vierde!):

Intelligentie: het vermogen om een ​​omgeving of situatie te (her)kennen of te voorspellen, en op die kennis in te spelen. Dit gaat veel verder dan feiten kennen of leren; het is het vermogen om dingen ‘te begrijpen’.

Natuurlijke interface: de capaciteit om zich aan te passen aan de acties, eigenschappen en het intuïtieve begrip van mensen, maar ook aan de fysieke omgeving.

Ubiquity of alomtegenwoordigheid: het vermogen om alomtegenwoordig te zijn, in elke transactie, elk object, elke machine, elk systeem en elke menselijke actor, zodra wij allemaal onderling ‘connected’ zullen zijn.

Wat deze zeven technologieën zo bijzonder en belangwekkend maakt, is dat zij elk voor zich op eigen manier een ‘universele’, dat wil zeggen alles en iedereen rakende impact zullen hebben. Elk voor zich zullen ze onze manieren van werken en consumeren veranderen, maar ook ons welzijn (gezondheid), onze intellectuele evolutie (leren) en de fysieke wereld om ons heen (omgeving).

Seven Technologies Remaking the World -An MIT SMR Executive Guide

big four straffen

Weer poging tot opsplitsing Big Four

De Britse financiële toezichthouder FRC heeft bij monde van CEO Stephen Haddrill aan de eveneens Britse Competition and Markets Authority  gevraagd om een ​​onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van splitsing van de Big Four-accountantskantoren KPMG, Deloitte, PwC en EY. Deze zouden opgebroken moeten worden in afzonderlijke ‘audit only’, dan wel adviserende en dienstverlenende organisaties.  Het doel zou dan zijn om de concurrentie op de jaarrekeningcontrolemarkt te vergroten en om belangenconflicten te voorkomen, die blijkbaar steeds weer voortvloeien uit de dominante positie van de vier bedrijven in het Verenigd Koninkrijk.

Onderzoek van Manifest wees recent uit, dat de grote vier de boeken controleren van alle FTSE-350 bedrijven – op slechts negen van hen na. Er is dus geen sprake van echte concurrentie op de markt, meent de FRC. Critici van de dominante positie van de grote vier wijzen bovendien op de reële mogelijkheid dan wel waarschijnlijkheid van belangenconflicten, die voortvloeien uit de snelle groei van de consultingtakken, vooral op het terrein van fiscale planning.

Verder blijven er vraagtekens gezet worden bij de kwaliteit van de Big-Four audits: de interventie van Haddrill volgt op een nieuwe reeks niet adequaat door de accountants opgemerkte boekhoudschandalen, zoals die van Carillion in Groot-Brittannië, Steinhoff in Zuid-Afrika en Petrobras in Brazilië. Als gevolg daarvan is er duidelijk sprake van “a loss of confidence in audit, and I think that the industry needs to address that urgently,” aldus Haddrill tegen de Financial Times. “In some circles, there is a crisis of confidence.”

 

 

Ook Financials zijn te koop

“Execs with accounting skills more likely to cook the books,” concluderen onderzoekers in hun bijdrage aan de online-early sectie van The Accounting Review met de omineuze titel “Do Auditors Recognize the Potential Dark Side of Executives’ Accounting Competence?”

Wat blijkt? CFO’s en controllers die zéér deskundig zijn op hun vakgebied zijn eerder bereid tot administratieve malversaties dan hun professioneel minder begenadigde collegae – als daar de nodige  financiële incentives tegenover staan.

De controlerend accountant moet bij het beoordelen van de boeken letten op allerlei signalen en omstandigheden die kunnen wijzen op boekhoudfraude, -trucs en fouten. Het onderzoek van Elaine Mauldin, professor of accountancy aan de University of Missouri, c.s., voegt een nieuw en onverwacht risico toe aan die verzameling:     “Competence, alone, is a great thing,” zegt Mauldin.  “Research has actually shown that, in general, it results in fewer misstatements. However, we found that when both competence and financial incentives are present, this dark side of accounting competence emerges.”

De onderzoekers koppelden (onregelmatigheden in) jaarverslagen uit de periode 2004-2013 aan de kennis en ervaring van de daarvoor verantwoordelijke financial executives, zoals op te maken uit hun cv’s.  Zij focusten op twee factoren die, tezamen met financieel-administratief vakmanschap,  de kans op materiële onjuistheden in de rapportage beïnvloeden, namelijk ‘compensation incentives’, bonussen gekoppeld aan de financiële performance, en een ‘aggressive reporting attitude’ die vastgesteld werd op basis van de manier van verslaggeven.

Deze factoren vormen met ‘competentie’ als derde ‘opportunity’ factor een zogenaamde fraudedriehoek:  de kans dat financiële executives met ‘high accounting competence’ en incentives in de beloningssfeer verantwoordelijk zijn voor financieel-administratieve onregelmatigheden is 30% hoger dan statistisch te verwachten. Ontbreekt die professionele deskundigheid, maar blijven de incentives, dan daalt de kans tot 4%. De agressieve attitude helpt ook mee (dan wel: werkt tegen!), maar slechts zeer beperkt.

Paradoxaal genoeg blijken accountants in de regel lagere fees te berekenen aan CFO’s die zij vakmatig hoogachten, aldus de onderzoekers – daaruit kun je concluderen dat zij die competentie als risicoverlagend zien, in plaats van als risicoverhogend.  “These executives have both the incentive and ability to change the books,”  zegt Mauldin. “On the other hand, competence lulls auditors into a sense of security. Auditors need to be aware of the heightened risk these executives represent.”

Misschien ook een tip voor de FIOD?

Tabee informatiemaatschappij, welkom reputatiemaatschappij

Een informatiemaatschappij is een maatschappij waarin de creatie, de distributie, de verspreiding, het gebruik, de integratie en manipulatie van informatie een belangrijke economische, politieke en culturele activiteit is, aldus Wikipedia.  Nu robots en ‘systemen’ ons ontlasten qua fysieke arbeid, prijzen we ons gelukkig te mogen leven in een ‘kenniseconomie’, in een mondiaal ‘connected’  samenleving waarin feitenkennis en expertise minstens zo belangrijk zijn als de andere economische hulpbronnen.

Je zou denken dat die ‘kennis’, die ineens zo breed beschikbaar is (Wiki!), puur bestaat uit empirisch gekende feiten, en die ‘ervaring’ uit de’’evidence based’ wetenschappelijke methode. Niets is minder waar: hoe meer informatie er circuleert, hoe meer we af blijken te moeten gaan op reputaties om deze te kunnen waarderen als ‘waar’ of onwaar, relevant of irrelevant. Met andere woorden: we hebben toegang gekregen tot voorheen ondenkbare hoeveelheden informatie, maar kunnen daar zelfstandig en autonoom niets meer mee, zo blijkt. Integendeel, we worden steeds meer afhankelijk van andermans oordeel over die informatie.

In plaats van in een informatiemaatschappij, leven we dezer dagen in een reputatiemaatschappij. Informatie heeft alleen waarde, als deze al gefilterd, geëvalueerd en gefiatteerd is door anderen – de deugende elite dan wel de foute populisten. Die bepalen elk voor zich wat u mag verdienen, of welke feiten er toe doen in de klimaatdiscussie; die bepalen welk product u wel of niet mag voeren, welke productiemethoden u kunt gebruiken en of de daarbij gebruikte arbeid en grondstoffen acceptabel zijn. Die bepalen tegelijk ook, wat ‘waar’ is, dat wil zeggen acceptabel.

Reputatie is dezer dagen de poortwachter van alle kennis geworden, en daarmee van onze collectieve intelligentie.  De sleutels tot de poort zijn in handen van anderen zoals de EU (die ze delegeert aan de postbode!), Poetin, de Ayatollahs en de dienstbare media.  Wat ons nog bereikt aan informatie, wordt bepaald door de vooroordelen en voorkeuren van anderen. Als we niet de moeite nemen om elke dag weer te zoeken naar een/de andere waarheid, leven we noodgedwongen in een ‘echo chamber’ waarin geen wanklank gehoord wordt, en die onze overtuigingen versterkt door steeds maar weer de ene waarheid te bevestigen en de reputatie van dissidenten te besmeuren. Het gevolg is dagelijks zichtbaar: cultureel tribalisme, polarisatie en ‘hate speech’ naar de ander. Pechtold vs. Baudet, zeg maar.

In deze reputatiemaatschappij rest er de volwassen burger maar één verdediging tegen ‘nepnieuws’ en desinformatie: steeds maar weer zich afvragen, bij elk nieuwsfeit, bij elke onderzoekconclusie, bij elke politieke uiting: Betreft het een mening of feiten? Van wie komt deze informatie? Wat is de intentie van de informatieverschaffer? Wat is zijn of haar reputatie bij voor- en tegenstanders? Welke bronnen worden genoemd en gebruikt? Welke zijn daarmee in tegenspraak? Pas daarna kun je de informatie op waarde schatten. En je oordeel bijstellen of bevestigd zien.

Toch wel een treurig effect van de beschikbaarheid van zo veel voor iedereen toegankelijke kennis…

Say goodbye to the information age: it’s all about reputation now

EU en Green Finance

De Europese Commissie maakte recent haar strategie bekend, die  onder andere moet leiden tot een duurzaam financieel stelsel, dat de EU-agenda voor klimaat en duurzame ontwikkeling ondersteunt en dat bijdraagt aan de overgang naar een duurzame economie.  De Commissie stelt in dat kader ook voor om het mandaat van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) te verbreden. Een van de 10 acties die in het plan zijn opgenomen, is het versterken van de regelgeving met betrekking tot de verslaggeving over duurzaamheid(sinspanningen).

De Commissie heeft ook aangekondigd dat zij uiterlijk in het tweede kwartaal de regelgeving inzake niet-financiële informatieverschaffing zal herzien, in overeenstemming  met de aanbevelingen van de Task Force on Climate-related Financial Disclosures van de Financial Stability Board. Verder zal een European Corporate Reporting Lab (ECRL) worden opgericht, als onderdeel van de EFRAG, met het doel best practices qua duurzaamheidsverslaggeving en milieuaccounting door ondernemingen te identificeren, ontwikkelen en distribueren. EFRAG noemt de oprichting van een ECRL “een kans om belanghebbenden samen te brengen om echte innovatie te bevorderen, nu het verslaggevingslandschap zo snel verandert.” De Commissie vraagt ​​EFRAG ook de impact van nieuwe IFRS standaarden op duurzame investeringen te beoordelen.

Naast het bovenstaande noemt het actieplan ook:

  • De ontwikkeling van een gemeenschappelijke taal voor ‘sustainable finance’, definiëring van wat ‘duurzaam’ in dat kader betekent en inhoudt, en bepaling van waar duurzame investeringen de grootste impact kunnen hebben;
  • Het creëren van EU-labels voor groene financiële producten op basis van een gecertificeerd EU-classificatiesysteem;
  • Verduidelijking van de verplichting voor vermogensbeheerders en institutionele beleggers om rekening te houden met duurzaamheid in het beleggingsbeleid en –proces, inclusief de betreffende rapportageverplichtingen;
  • Verplichting voor verzekeraars en beleggingsadviseurs om klanten te adviseren over duurzaamheid op basis van hun voorkeuren
  • Het integreren van duurzaamheidseisen in de regels voor prudentiële criteria voor de financiële sector. De Commissie zal nagaan of het haalbaar is bijvoorbeeld kapitaalvereisten voor banken opnieuw te berekenen, wanneer dit vanuit het perspectief van duurzaamheidsrisicobeheersing gerechtvaardigd is en de financiële stabiliteit gewaarborgd blijft.

Human Capital theorie: wapen uit de Koude Oorlog backfires

In 1960 spreken twee hoogleraren, Theodore ‘Teddy’ Schultz, president of the American Economic Association, en Milton Friedman, bekend van The Chicago School, met de nodige bezorgdheid over de nieuwe verantwoordelijkheid, die hun als topeconomen door de Amerikaanse overheid op de schouders gelegd is: economisch beleid wordt ineens gezien als een even belangrijk wapen in de Koude Oorlog als ballistische raketten.

In Moskou heeft Nikita Chroesjtsjov namelijk juist verkondigd dat ‘de groei van de industriële en landbouwproductie de stormram zal zijn, waarmee de Sowjet Unie het kapitalistische systeem kapot zal gaan maken’. Deze provocatie veroorzaakte de nodige opschudding, toen de betreffende toespraak van de communistische leider werd voorgelezen aan het Amerikaanse Joint Economic Committee of Congress. Een groep machtige technocraten in de Amerikaanse regering  en de Council of Economic Advisers werd prompt door het Oval Office geïnstrueerd om een ​​groeistrategie te ontwikkelen, die die van de USSR zal overschaduwen en de vijand voorgoed zal verpletteren.

De twee kopstukken van de Chicago school twijfelen er niet aan, of zij in staat zouden zijn om een relevante bijdrage te leveren aan deze nieuwe vorm van oorlogvoering, maar over het hoe en wat zijn ze het niet helemaal eens. Schultz gelooft ook, dat de VS zelf op eigen schaal en manier hetzelfde wapen, ‘economische groei’, moeten inzetten, en Friedman is het daar mee eens. Maar de laatste ziet wel een probleem.

Schultz is aanhanger van neoklassieke theorieën over groei en ontwikkeling, geleerd van zijn eerdere studies over de productiviteit in de landbouw: een verhoging van overheidsuitgaven voor onderwijs is absoluut essentieel voor de groeiagenda van de natie. Kennis geeft de VS niet alleen een wetenschappelijk concurrentievoordeel in de ruimtewedloop (de Sowjet Unie dreigt even die te winnen), maar voegt ook aanzienlijke waarde toe aan de nationale voorraad ‘kenniskapitaal’ van het land, waardoor de productiviteit kan stijgen en de Sovjets in hun eigen ‘groeigame’ verslagen zullen kunnen worden.

Friedman echter ziet niets in verhoging van overheidsuitgaven, wars als hij is van ‘big governement’ en centrale planning. De Sovjet-vijand moet verslagen worden met individuele vrijheid en kapitalistisch ondernemerschap. Overheid is voor Friedman het probleem, niet de oplossing.

Dan komt Schultz met het concept ‘human capital’, menselijk kapitaal, op de proppen. Geen nieuw idee – Adam Smith wees er al op, hoe de kennis en vaardigheden die werknemers hebben verworven (via scholing, opleiding en training) economische waarde aan een onderneming kunnen toevoegen. De legende gaat dat Schultz plotseling het belang van human capital inzag, na een bezoek aan aeen arm boerengezin. Gevraagd waarom ze niet ontevredener waren met hun schamele lot, antwoordden ze: “omdat we onze kinderen naar school hebben kunnen laten gaan!”. Schultz was zó geïnspireerd, dat hij zijn docenten en promovendi actief pushte om een ​​meer robuuste en formalistische theorie van menselijk kapitaal te ontwikkelen. Zou de VS niet kunnen winnen door te investeren in menselijk kapitaal?

Ook Friedman is gefascineerd door het begrip ‘menselijk kapitaal’, maar vanuit een heel andere invalshoek. Anders dan geld, grond of machines kan menselijk kapitaal  niet conceptueel los gezien of gemaakt worden van de persoon die het bezit. Ook als dat kapitaal groeit, bijvoorbeeld door subsidie van overheid of werkgever, blijft het privé bezit. Dus is het volgens Friedman c.s. zakelijk gezien onzin voor een werkgever (of overheid) om te investeren in training en opleiding van werknemers –  diezelfde investering kan morgen letterlijk de deur uit lopen, om bij de concurrentie te gaan werken.

Om een lang verhaal kort te maken: Friedman won uiteindelijk. De pogingen van het Schultz-kamp in de US overheid om de federale onderwijsuitgaven drastisch te verhogen, werden in 1961 en 1963 smadelijk verworpen. Wat nog belangrijker is, de negatieve gevolgen van Friedman’s conceptuele overwinning op Schultz zijn nog steeds merkbaar. Er loopt een duidelijke rode draad van zijn overwinning in 1960 in het debat over wie precies verantwoordelijk is voor investeringen in menselijk kapitaal naar de inmiddels catastrofaal opgelopen nationale studieschulden in de VS, het VK en vele andere landen. Ja, ook ons land!

De onderliggende boodschap van de human capital-theorie klinkt er nog steeds in door. Friedman vatte het vrolijk samen in een pittige slogan in de jaren ’70: There’s no such thing as a free lunch.

Meer lezen?

How the Cold War led the CIA to promote human capital theory, door Peter Fleming, professor of business and society aan de Cass Business School at City, University of London.

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén