Het concept ‘interoperabiliteit’ verwijst naar de mogelijkheid van verschillende autonome, heterogene systemen, apparaten of andere eenheden (bijvoorbeeld organisaties of landen) om (digitaal) met elkaar te communiceren. Daarvoor zijn door allee communicerende partijen erkende gemeenschappelijke standaarden, protocollen en procedures nodig. Het gaat daarbij om het elkaar verstaan zowel in technische, maar ook in semantische en juridische zin.

De EU erkent die ‘interoperabiliteit’ als basisvoorwaarde voor verdere groei en bloei, en heeft daartoe dan ook een ‘strategie voor de digitale interne markt’ ontwikkeld (Digital Single Market strategy), het ISA2 programma (Interoperability Solutions for European Public Administrations) opgezet en er zelfs een richtlijn aan gewijd, Directive 2014/55/EU,  die het algemene gebruik van de betreffende Europese standaarden (inclusief ‘e-procurement’) in 2018 wil bewerkstelligen. Zoals te doen gebruikelijk zijn er bij de implementatie van de standaarden voorlopers en achterblijvers, zo blijkt uit het recent verschenen State of Play of Interoperability in Europe – Report 2016 , gebaseerd op onderzoek door het NIFO (National Interoperability Framework Observatory). NIFO constateert dat de ‘alignment’ van de betreffende lidstaten inmiddels toegenomen is tot gemiddeld 75%. 23 landen hebben boven de 50% gescoord, 12 meer dan 80%. Estland is het meest interoperabele land (100%), gevolgd door Nederland (99%) en Spanje (97%). Aan de andere kant van het spectrum treffen we Ierland (18%), België (32%) en Portugal (41%).

Het gaat bij die percentages om de implementatie van de 5 aspecten zoals gedefinieerd in het Europees Interoperabiliteitsraamwerk (EIF): het conceptueel model, interoperabiliteitsniveaus, interoperabiliteitsovereenkomsten en de ‘governance’ van het interoperabiliteitsbeleid.

Het NIFO-rapport onderzocht ook de status van de referentiemodellen voor  nationale interoperabiliteit: daarbij is Spanje de leider (100%), gevolgd door Denemarken (88%), Nederland (87%) en Luxemburg (85%). De gemiddelde score hier is 56%; slechts 5 landen scoren boven de 80%.

Een ander aspect dat in de studie werd beoordeeld, was de monitoring. Met andere woorden, de mogelijkheid van landen om trends te analyseren en zich aan te passen aan veranderingen. In deze zin zijn de staten die de hoogste score behalen, die met hun eigen agentschappen die specifiek gewijd zijn aan interoperabiliteit. Dit geldt voor Oostenrijk (100%), Denemarken (88%) en Spanje (88%).