Categorie: Financial management (Pagina 1 van 3)

Plus ça change, plus c’est la même chose…

Een interessante studie op EY.com, What are the hidden risks of contingent workforces?

Al weer tien jaar geleden organiseerden we dit rondetafelgesprek:

Alle banen zijn interim-banen

Disruptie? Nee, stagnatie! 

 

 

 

 

Groot Brittannië doet wél wat aan corporate belastingontduiking

De Britse regering heeft een voorstel ingediend  om te komen tot bronbelasting op de royalty-inkomsten van ( vooral digitale)  bedrijven, zoals reeds aangekondigd in de meest recente begroting.

De regering May zal de betreffende wetgeving introduceren in de Finance Bill 2018-19, waardoor de omstandigheden verruimd worden onder welke bepaalde betalingen aan niet-ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk inkomstenbelastingplichtig zullen zijn. Daarmee breidt het VK het eigen BEPS-arsenaal aanzienlijk uit – hetgeen Nederland voorshands blijft weigeren.

Het voorstel wijst erop dat de Finance Act 2016 (FA16) al bepalingen bevat die stellen dat alle royalty’s die voortvloeien uit activiteiten in het Verenigd Koninkrijk onderworpen zijn aan deze vorm van bronbelasting, tenzij het VK expliciet afstand heeft gedaan van zijn belastingrechten krachtens een internationale overeenkomst (zoals een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting).

In de herfstbegroting 2017 heeft de regering een verdere uitbreiding van de FA16-regels aangekondigd. Deze maatregel houdt in dat betalingen voor de exploitatie van bepaalde eigendommen of rechten in het VK,die worden gedaan aan verbonden partijen in landen met een lage of geen belastingverplichting, onderworpen zijn aan een “passende belastingheffing”.

De regering zegt in het voorstel: “Dit is een nieuwe stap in de richting van de lange-termijn ambitie van de overheid voor binnenlandse én internationale hervorming van de belastingheffing op multinationale bedrijven. Hoewel deze maatregel overwegend de zogenaamde digitale ondernemingen zal treffen, kan deze ook van invloed zijn op ondernemingen die in andere sectoren actief zijn. De maatregel is specifiek gericht op de door die ondernemingen gehanteerde intragroepsregelingen, die leiden tot een kunstmatig verlaagd effectief belastingpercentage; waarmee de concurrentie op de markten waarin zij actief zijn verstoord wordt.”

Nu Nederland (en Ierland, en Luxemburg enz enz) nog….

Waarde hechten aan klimaatrisico’s

De NIVRA kwam al in 2010 met het discussiedocument  Meer dan euro’s alleen.  In datzelfde jaar (ver vóór Trump) publiceerde de Amerikaanse Securities and Exchange Commission (SEC) richtlijnen voor de rapportage over de materiële gevolgen van klimaatverandering voor beursgenoteerde bedrijven. In het VK richtte Mark Carney, voorzitter van de Financial Stability Board (FSB) en gouverneur van de Bank of England, in 2015 de Taskforce Climate-Related Financial Disclosures (TCFD) op – het eerste internationale initiatief dat (de financiële gevolgen van) klimaatverandering in de context van financiële stabiliteit in kaart bracht.

Ondanks deze ontwikkelingen blijkt er tot op heden weinig veranderd, in de mate en manier waarop bedrijven rapporteren over klimaatgerelateerde kansen en risico’s. Uit de The KPMG Survey of Corporate Responsibility Reporting 2017 blijkt dat driekwart van ‘s werelds grootste bedrijven (de G250) klimaatverandering niet als een financieel risico erkent, althans noemt en waardeert. Van de 100 grootste Amerikaanse bedrijven (de N100) benoemt nog niet de helft  financiële risico’s van klimaatverandering in de jaarverslagen. Bedrijven die deze risico’s wel erkennen, rapporteren bovendien niet wat de financiërle gevolgen ne risico’s zijn. Laat staan dat ze  de potentiële financiële impact met behulp van scenario-analyse modelleren.

Waar hebben we het over, bij die ‘klimaatgerelateerde financiële risico’s’, en  waarom wordt daarover getrouw en tijdig rapporteren steeds belangrijker? De TCFD identificeert twee klimaatrisico-categorieën: transitierisico’s en fysieke risico’s.

Transitierisico’s worden gedefinieerd als  de financiële en reputationele impact van het negeren, veronachtzamen of mislukken van de cruciale overgang naar de koolstofarme economie. Denk aan beleid(smaatregelen) om de gevolgen van klimaatverandering te mitigeren (of gebruik te maken van de kansen die zij biedt), juridische claims tegen bedrijven die juist verwijtbaar bijdragen aan die klimaatverandering (of nalaten te handelen), dan wel de risico’s die de onderneming loopt in het kader van nieuwe disruptieve technologieën en marktontwikkelingen.

De fysieke risico’s omvatten de (financiële gevolgen van de) fysieke effecten van klimaatverandering, zoals verstoring van de bedrijfsactiviteiten door extreme weersomstandigheden of de lange-termijn-gevolgen van klimaatverandering.

Waarom zijn ondernemingen zo karig met het rapporteren over klimaatrisico’s? De meeste hebben er natuurlijk geen enkele ervaring mee, en beschikken dus ook niet over de deskundigheid en processen voor op scenario’s gebaseerde rapportering van dergelijke klimaatrisico’s. Eerst en vooral zullen zij bestaan ​​van die risico’s moeten erkennen, en de moeite nemen om hun waarschijnlijkheid en eventuele bedrijfsmatige impact te waarderen. Zonder bewustzijn van de top, externe druk om erover te rapporteren, zullen klimaatrisico’s niet automatisch hetzelfde gewicht krijgen als de ‘gewone’ financiële en operationele risico’s. De TCFD beveelt de scenario-analyse aan als methodologie om potentiële zakelijke, strategische en financiële implicaties van klimaatgerelateerde risico’s (en kansen!) te beoordelen en daarover te rapporteren aan stakeholders.

Gelukkig constateert de KPMG Survey enige vooruitgang. Steeds meer (inmiddels 23% van zowel de G250 als de N100) stellen in elk geval doelen om hun CO2-impact te verkleinen. Dat soort doelstellingen (en de eerlijke rapportage daarover) helpen organisaties aan investeerders, leveranciers, werknemers en het publiek een eerste signaal te geven, dat ze bereid zijn om serieus werk te maken van de transitie naar een koolstofarme economie.

Zie ook Op naar één standaard voor duurzaamheidsrapportage

Volop groeikansen voor Nederlands bedrijfsleven in buurland Duitsland

Duitsland is en blijft onze belangrijkste handelspartner. Des te dommer de gewoonte, om onze buren in (krom) Engels aan te spreken!

Ongeveer 2000 Nederlandse (dochter)bedrijven bieden werkgelegenheid aan liefst ruim 100.000 Duitse burgers.  De laatste tijd groeit de M&A-activiteit van het Nederlandse bedrijfsleven in ons buurland sterk, vooral in de ‘produktionsintensive’ industrie en in de logistieke dienstverlening. Kansen zijn er genoeg – de komende jaren moeten liefst 620.000 Duitse familiebedrijven een opvolger dan wel andere eigenaar vinden. Vele daarvan zijn zogenaamde ‘hidden champions’!  Nederlandse kopers worden daar over het algemeen met open armen ontvangen – onze bedrijfsculturen lijken op elkaar, of vullen elkaar synergetisch aan. Een belangrijk motief om te groeien via overnames in het buurland is natuurlijk de zo broodnodige schaalvoordelen die betreden van de Duitse markt biedt. Vandaar ook onze bijzondere interesse in de Duitse startup-markt.

Verspreiding van Nederlandse ondernemingen in Duitsland

 

 

 

 

 

 

 

Dit en nog veel meer is te lezen in Business Destination Germany , een rapport dat zojuist werd gepubliceerd door KPMG Duitsland.

“Deutsche Unternehmen sind für ausländische Konzerne attraktiv wie nie. Die Zahl der Übernahmen und Fusionen wächst rasant. Warum das so ist und was die Investoren für die Zukunft planen,” vertelt dit ruim 50 pagina’s tellende document.

Zwaardere straffen nodig voor Big Four?

Misstappen en wanprestaties van de ‘Big Four’ accountantskantoren zouden met veel hogere boetes moeten worden bestraft, zo luidt het advies van een onafhankelijke onderzoekscommissie aan de Britse accounting-waakhond FRC, in een rapport (PDF) over de handhaving van de Britse regelgeving. “Vaak zouden veel strengere maatregelen passend zijn, dan nu gemeenlijk opgelegd worden”, aldus de voorzitter, voormalig Court of Appeal Judge Sir Christopher Clarke.

Het rapport, dat dinsdag jl. gepubliceerd werd,  bevat een aantal forse aanbevelingen, waaronder:

– er moet meer gebruik gemaakt worden van niet-financiële sancties, opgelegd om de kwaliteit en betrouwbaarheid van toekomstige audit- en accounting-werkzaamheden door de grote kantoren te bewaken en te verbeteren;

– het schrappen van de jurisprudentiële verplichting voor onderzoekende instanties om zichzelf gebonden te achten aan eerder opgelegde boetes en maatregelen;

– het beperken van de mogelijkheden om opgelegde boetes als kosten af te schrijven, en

– individuele accountants die de fout in gaan zouden voor minstens tien jaar geschorst moeten worden.

De Big Four controleren in het VK de boeken van bijna alle grote, beursgenoteerde bedrijven; de FRC heeft nogal wat kritiek gekregen, vanwege de ‘softe’ behandeling van deze kantoren, zeker gezien hun diepe beurzen, die ‘normale’ boetes tot een lachertje maken. Veel zwaardere boetes kunnen gerechtvaardigd worden, in veel gevallen van ernstige nalatigheid in het auditwerk door de “Big Four”, aldus het rapport. PwC kreeg in augustus van dit jaar nog een boete van 5,1 miljoen Britse ponden voor hun falende audit van de boeken van RMS Tenon, dat snel daarna ten onder ging. “If one of the Big 4 firms was guilty of seriously bad incompetence, in respect of the audit of a major public company… a financial penalty of ten million pounds or more before any discount could be appropriate,”  aldus het rapport.

Dat zou overigens nog steeds slechts een fractie zijn van wat andere toezichthouders, zoals de Financial Conduct Authority, aan verschillende banken hebben opgelegd vanwege hun manipuleren van rente-benchmarks. Beroepsvereniging ICAEW vreest dat dergelijke hoge boetes ‘marktverstorend’ zullen werken. “Kantoren zullen  zich dan schielijk terugtrekken uit als riskant beschouwde sectoren!”

De FRC zegt zorgvuldig te gaan overwegen, welke adviezen wel en welke beter niet gevolgd kunnen worden.

 

Zie ook Big Four – een kwaadaardig kartel?

Mensenrechten en bedrijfsleven

Gelukkig groeit wereldwijd de aandacht van het bedrijfsleven voor ‘mensenrechten’, al was het maar vanuit de angst om niet compliant te zijn aan de groeiende nationale en internationale wet- en regelgeving. Steeds meer organisaties doen vrijwillig aan zelfonderzoek, en monitoren waar en hoe hun acties en transacties schade (kunnen) berokkenen aan stakeholders, zowel in hun eigen als in derde landen. Maar aan die vrijwilligheid gaat (wellicht) een einde komen.

Naast de Universele Verklaring uit 1948 hebben de VN in 2011 een eerste versie gepubliceerd van  Guiding Principles on Business and Human Rights, in het Nederlands Guiding Principles inzake bedrijven en mensenrechten. Sindsdien zijn werk- en actiegroepen druk blijven onderhandelen om respect voor en naleven van mensenrechten door het bedrijfsleven nog verder te verankeren in wet- en regelgeving. Uiteindelijk doel: een multilateraal verdrag inzake bedrijven en mensenrechten dat ondernemingen niet alleen voor hun eigen acties aansprakelijk zal stellen, maar ook voor die van hun zakenpartners.

Dat overleg resulteerde in oktober van dit jaar  in aanvullende ‘guidance’,  die nu al compliance officers moet helpen bij het monitoren, managen en openbaar maken van de performance van hun organisatie terzake. Voorafgaand aan de derde zitting van de Intergovernmental Working Group on Business and Human Rights (IWG) eind oktober van dit jaar, publiceerde de voorzitter daarvan een paper, waarin  ruim 30 ‘elementen’ van het voorgestelde verdrag worden geformuleerd. De IWG benoemt daarin principes die in een uiteindelijk verdrag zouden moeten worden vastgelegd:

Aansprakelijkheid voor bedrijven: het opleggen van strafrechtelijke, civielrechtelijke en administratieve aansprakelijkheid voor de transnationale activiteiten van bedrijven die de mensenrechten schenden. Het is onduidelijk of deze aansprakelijkheid rechtstreeks wordt opgelegd door het Voorgestelde Verdrag zelf, of dat het Voorgestelde Verdrag van regeringen vereist dat zij wetten opstellen en implementeren om dit doel te bereiken.

“Piercing of the Corporate Veil”:  die aansprakelijkheid wordt uitgebreid tot alle “natuurlijke personen” in de bedrijfsactiviteiten die betrokken waren bij het besluitvormingsproces, inclusief mogelijk directeuren.

Verplichte Due Diligence onderzoeken om eventuele mensenrechtenschendingen bij alle actoren en activiteiten in de keten te voorkomen.

Extraterritoriale jurisdictie: eventuele eisers hebben toegang tot de rechtbanken van de thuislanden van bedrijven, ook al heeft de vermeende schade voor de eisers plaatsgevonden in andere landen. De betreffende rechtbanken moeten rechtsmacht kunnen uitoefenen over bedrijven die in het buitenland zijn gevestigd, waar deze bedrijven naar verluidt misbruik hebben gepleegd in de landen waar die rechtbanken zitten.

Jurisdictie over de activiteiten van zakenpartners: zelfs wanneer de overtreding werd gepleegd door entiteiten die “direct of indirect gecontroleerd” werden door de zakenpartners. Bedrijven kunnen dus aansprakelijk zijn voor activiteiten van andere bedrijven, waar ze weinig of geen control over hebben.

Jurisdictionele barrières moeten verdwijnen: rechthebbenden in het buitenland krijgen toegang tot rechtbanken, zowel in de staten waar de overtreding is begaan als in de landen waar bedrijven gevestigd zijn.

Omkering van de bewijslast: een van de middelen om toegang tot de rechter voor eisers/rechthebbenden te garanderen.  Dit kan de vorm krijgen van ‘de eigen onschuld bewijzen’ of aantonen dat de gebruikte verweermiddelen legitiem zijn.

Erkenning van het ‘primaat’ van mensenrechten: deze rechten moeten ‘voorrang’ krijgen op andere internationaalrechtelijke verplichtingen, met inbegrip van verplichtingen die zijn gecreëerd in het kader van vrijhandelsovereenkomsten en andere investeringsinstrumenten.

Oprichting Internationaal Tribunaal voor transnationale ondernemingen en mensenrechten.

Het mag dezer dagen weinig verrassing wekken, dat de USA weigerde deel te nemen aan de discussies binnen de Working Group, nadat het ook onder Obama al tegen de resolutie van 2014 stemde, die het begin van de onderhandelingen over een verdrag inluidde. De EU stemde toen overigens ook tegen, en is pas in 2017 mee gaan praten. Desalniettemin is de vraag gewettigd of de EU een VN-mensenrechtenverdrag ooit echt zal steunen…

De mythe van het heilige MKB

Het MKB wordt in het moderne kapitalisme een iconische heldenstatus toegedicht.  Maar draagt het echt zo veel bij aan (de groei en bloei van) onze economie?

Het MKB – daar worden banen gecreëerd, daar bloeit het ondernemerschap, daar verdienen wij ons salaris. “Het grootste deel van de Nederlandse bevolking werkt in het midden- en kleinbedrijf (MKB): in winkels, in de agrarische of toeristische sector, in de IT, in de media of als boekhouder of administrateur. Deze ondernemers worden gekoesterd door de PvdA.” “Het MKB is de motor van onze economie. Maar liefst 60% van de werkende Nederlanders heeft er een baan. Wij vinden daarom dat het MKB steun verdient. Daarom willen wij minder regels en dus minder administratieve rompslomp voor deze ondernemers,” aldus de VVD.  Er is in de ‘eerste wereld’ geen politieke partij te vinden die niet dergelijke platitudes in haar programma heeft staan. Volgens de Britse overheid “zorgen bedrijven met minder dan 95 werknemers voor alle ‘radical innovations”!  In een wereldeconomie, die gedomineerd wordt door internationale conglomeraten en het grootkapitaal, krijgt het MKB wel verdacht veel eer.

Is dat eigenlijk wel terecht? Is het echt ‘progressief’ om het MKB waar mogelijk te steunen, al is het maar met politieke woorden? Niet, volgens Benjamin C.Waterhouse, associate professor of history aan de University of North Carolina,

Maar al te graag geloven we in het sprookje van de in een garage startende onderneming. Dat sprookje kreeg een duidelijk politieke rol eind jaren ’70, toen Thatcher en Reagan het begonnen te misbruiken om een nieuwe economische orde te verfraaien; een nieuwe orde die juist starters en kleine ondernemers achterstelt bij de Grote Multinationals. Het MKB werd ‘hot’- in 1970, waren er in de VS 8 universiteiten die een vak  “starting a new business” aanboden; in 1980 waren dat er 137.  In 1978 kwam MIT-econoom David Birch met de claim dat het MKB goed was (geweest) voor 80% van de nieuwe werkgelegenheid tussen 1969 en 1976.  Critici hadden grote bezwaren tegen zijn slordige methodologie, maar de mythe was nu ook wetenschappelijk gecodificeerd.

In feite was het toen zo, en is het nu nog steeds, dat de meeste werkgelegenheid ontstaat in snelgroeiende ondernemingen die de MKB-status ontgroeien, terwijl de meeste kleine en middelgrote bedrijven of klein blijven, of zelfs ten ondergaan – met hun werkgelegenheid! In historisch perspectief gezien bestaat het MKB eigenlijk ook pas sinds de opkomst van ‘Big Business’, in de tweede helft van de vorige eeuw. Voor de opmars van de grote, verticaal geïntegreerde en gediversifieerde ondernemingen, sprak niemand ooit over enig MKB. Eigenlijk groeide het concept vooral in reactie op de opkomst van de winkelketens in het begin van de vorige eeuw; het grootwinkelbedrijf, dat ‘de kleine buurtwinkel’ tot de dag van vandaag wegdrukt – en tegelijk veel meer werkgelegenheid creëert…

En zo geschiedde, dat allerlei wetgeving op het oog de kleine middenstander moest beschermen, maar dat tegelijk en onherroepelijk het begrip ‘Big is beautiful’ opkwam, met alle (bijv. fiscale!) beleid dat daar bijhoort. Vreemd genoeg kreeg het concept ‘kleine onderneming’ tegelijk geleidelijk toch weer een positieve lading, van de kleine onderneming en ondernemerschap als ‘agile’ oplossing en tegengif voor de inefficiënties, traagheid en bureaucratie in de Grote Onderneming.

Maar let dus op – vandaag de dag staat ‘Entrepreneur’ voor iemand die een nieuwe onderneming groot maakt – dus voor MKB’ers die alles behalve MKB’er willen blijven. Daar past ook het afschaffen van de dividendbelasting bij…

By linking the political agenda of small business and large business, conservatives in the 1980s laid the foundation for a set of policy developments that hastened the globalising forces of late-stage capitalism and failed to mitigate its effects. By presuming that small business was uniquely or exceptionally innovative, they ignored the real world of small business owners and perpetuated a devastating myth that judged small companies by their ability to become Big Businesses. In so doing, they missed the most critical developments in global capitalism: the simultaneous fracture of the mid-century corporate world and the rise of an isolated, privileged global elite that marginalised and weakened the vast majority of small businesses.”

Meer lezen? The small business myth , door Benjamin C Waterhouse.

Of: “Hors transferts, l’INSEE montre que, à l’exception des micro-entreprises, toutes les entreprises ont créé des emplois entre 2009 et 2015!”

 

Ook privé misstappen van leiders kosten bedrijven miljoenen

Steeds vaker worden directieleden persoonlijk aansprakelijk gesteld voor ‘zakelijke’ misstappen, zoals rentemanipulatie, witwassen en misleidende verkooptrucs, maar ook voor persoonlijke misstappen als (seksuele) intimidatie en pesterij, cv-fraude of ongepaste relaties met hun werknemers.

Dat zakelijke misstappen schadelijk zijn voor de organisatie moge duidelijk zijn. Maar soms is het niet eenvoudig om de grens te trekken tussen persoonlijk en zakelijk ongewenst dan wel wangedrag. Denk aan een verfraaid CV, of een relatie tussen een leidinggevende en ondergeschikte, beide kunnen nog best goed aflopen. Wat zijn  eigenlijk de zakelijke effecten en economische gevolgen van dergelijke persoonlijke misstappen, vroegen enkele wetenschappers zich recentelijk af. Hoe beïnvloedt de persoonlijke integriteit (of de afwezigheid daarvan) van een CEO de onderneming en haar resultaten?

Zij publiceerden de resultaten van hun op die vraag gebaseerde onderzoek in een bijdrage aan het Journal of Financial Economics (JEF), een bijdrage die bovendien werd samengevat op het Harvard Law School Forum on Corporate Governance and Financial Regulation. De centrale onderzoeksvraag was, of de persoonlijke indiscreties van een CEO (in tegenstelling tot diens onrechtmatig handelen, dat rechtstreeks verband houdt met de bedrijfsvoering van diens organisatie) meetbaar een (negatieve) invloed hebben op de prestaties en waarde van de onderneming.

In de literatuur werd tot dusverre aangenomen, dat voor dergelijke indiscreties de organisatie als zodanig niet vaak wettelijk aansprakelijk gehouden wordt ( i.t.t. in geval van boekhoudfraude etc), dus dat persoonlijke indiscreties geen significante economische impact op bedrijven hebben.

Maar wat blijkt uit dit nieuwe empirische onderzoek? Wanneer een persoonlijke misstap van een CEO aan het licht komt, daalt de aandeelhouderswaarde met gemiddeld 4,1%.  Bovendien kost het de onderneming nieuwe én oude klanten, ketsen mogelijk winstgevende partnerschappen af, dalen de winstmarges en het rendement op de activa. En er is ook een correlatie vastgesteld tussen persoonlijke integriteit en zakelijke integriteit, raar maar waar!

Zelf hebben de schuldige dan wel beschuldigde CEO’s 41 procent meer kans om ontslagen te worden; blijft ontslag achterwegen, dan ervaren ze als straf een  gemiddelde verlaging van $ 400.000 aan salaris en bonussen. Wanneer een collega van de CEO een forse ethische misstap begaat, daalt de waarde van de onderneming gemiddeld met 1,6 procent…

Onethisch leiderschap kost dus veel geld – het draagt daarnaast vaak bij aan een disfunctionele bedrijfscultuur, met alle risico’s van rechtszaken, handhavingsacties, reputatieschade en verlies van vertrouwen van dien. Het is dan ook niet vreemd, dat steeds meer organisaties hun CEO’s  ook beoordelen en belonen op basis van ‘zachte’ criteria als ethisch handelen en bewustzijn, zo lezen we in de Harvard Business Review. Die ondernemingen beseffen dat winst maken onlosmakelijk verbonden is met ethisch handelen,  zelfs en privé.

Een beetje ethiek is goed voor de winst.

Help de EU faire belastingheffing in de digitale economie te realiseren!

De Europese Commissie is een consultatieronde gestart om input en ideeën te verzamelen waarmee de EU de problemen rond belastingheffing in de digitale economie effectief zou kunnen aanpakken.

De doelstellingen van de Commissie zijn natuurlijk eerlijkere en effectievere belastingheffing,  maar ook een garantie voor duurzame inkomsten voor de overheid, tegelijk met het scheppen van een level playing field  voor het totale bedrijfsleven. En natuurlijk dient het nieuwe systeem de verdere groei en het concurrentievermogen van de EU op de nieuwe mondiale marktplaats ondersteunen.

Zoals fiscaal commissaris Pierre Moscovici het verwoordt: “Niemand kan nog ontkennen, dat ons huidige belastingsysteem niet meer past bij de digitale economie met haar nieuwe bedrijfsmodellen. De lidstaten zien met lede ogen aan, hoe de enorme winsten die de digitale economische activiteiten genereren, momenteel nauwelijks belast worden; daarvoor móeten we een oplossing op EU-niveau verzinnen!”

De raadpleging heeft de vorm gekregen van een vragenlijst. Deze stelt dat de Commissie “gelooft dat een tweetrapsaanpak nodig kan zijn: eerst een gerichte, tijdelijke oplossing, gevolgd door een integrale lange termijn aanpak.”

Wat de tijdelijke oplossingen betreft, noemt het consultatiedocument de volgende opties:

  • Een belasting op basis van omzet, alle inkomsten uit “digitale activiteiten”;
  • Een roerende voorheffing op basis van betalingen aan niet-ingezeten aanbieders van online bestelde goederen / diensten;
  • Een belasting op basis van inkomsten uit digitale transacties, die ‘remotely’ zijn afgesloten met een niet-ingezeten entiteit met een significante economische aanwezigheid in een lidstaat; of
  • Een digitale transactiebelasting die al heel vroeg in het proces van waardecreatie geheven kan worden.

Als mogelijke langetermijn-oplossingen worden voorgelegd:

  • Nieuwe regelgeving voor winsttoewijzing aan en ‘vaste inrichting’ van de vennootschap, te realiseren via een gewijzigd voorstel voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB);
  • Nieuwe EU-regels voor die vaste inrichting en winsttoewijzing, door de digitale activiteiten van bedrijven in een afzonderlijke EU-richtlijn te regelen;
  • De invoering van een bestemmingsbeginsel bij de vennootschapsbelasting, volgens hetwelk de belastingbevoegdheid is gebaseerd op de locatie van de consument;
  • Een belasting op een aandeel in de wereldwinst van digitale bedrijven, die aan elk land kan worden toegerekend op basis van het percentage van de inkomsten die in dat land zijn gerealiseerd; of
  • Een systeem waarbij de winst van een bedrijf wordt aangegeven/bepaald en belast in de lidstaat waar het bedrijf gevestigd is – zoals momenteel het geval is – maar waarbij het toepasselijke tarief het omzetgewogen gemiddelde is van de belastingtarieven van de landen waar de omzet wordt gegenereerd.

De respondenten wordt gevraagd aan te geven in hoeverre zij geloven dat elk van deze opties zou helpen/werken om de geïdentificeerde problemen op te lossen.

De consultatieronde sluit op 3 januari 2018.

De Commissie werkt momenteel aan nieuwe voorstellen inzake digitale belastingen, die zij begin 2018 zal indienen. De bijdragen aan de raadpleging en een verslag over de ontvangen feedback zullen in het eerste kwartaal van 2018 worden gepubliceerd.

Fair taxation of the digital economy

 

Big Four: een kwaadaardig kartel?

Het Maturity Institute*, een non-profit organisatie die volgens een eigen systeem (de Organizational Maturity Rating ofwel OMR) de performance van ondernemingen beoordeelt,  inclusief de kans dat ze verder zullen groeien en bloeien, publiceerde een ‘voorlopig’ rapport over de Big Four accountantskantoren. Die Big Four  worden er in dat document van beschuldigd een welhaast kwaadaardig kartel te vormen, dat bovendien gekenmerkt wordt door “poor governance, skewed value motives of partners, avarice, ineffective governmental and regulatory control, obsolete accounting and auditing practice”. Met andere woorden: ze worden geleid door hebzuchtige partners, die niet het beste met ons voor hebben, die hun organisaties niet goed sturen en beheersen, waarop geen effectief toezicht gehouden wordt, en die obsolete accounting en auditing technieken en principes toepassen.

Het rapport, getiteld Auditing the “Big 4” Accounting Firms, stelt dat de grote vier meer gefragmenteerde ‘franchise’ organisaties vormen dan hun branding en pr doen voorkomen. Die versnippering zou er bovendien voor zorgen dat er geen enkele garantie is, dat de betreffende kantoren de hoogste assurance-standaarden consistent toepassen.

Paul Kearns, voorzitter van het Maturity Institute,  zegt dat dit rapport een unieke, evidence based analyse biedt, met als conclusie dat (deze) accountants, “the accounting profession”, een ernstig risico vormen voor de maatschappij, dat nodig aangepakt moet worden. “The Big Four represent a systemic problem, that needs fixing, and our report shows how this can be done through the firms themselves, their regulators and other stakeholders such as the investment sector, which is so reliant on assurance provided by auditors.”

Uit winstbejag zouden de Big Four toezichthouders en regelgevende instituties onder druk gezet hebben, met als resultaat dat de kwaliteit van de accountantscontrole naar beneden is gegaan. Overigens geeft het Maturity Institute daarbij geen specifieke voorbeelden of bewijzen.

‘A corrupted financial system with a state aided, global cartel fostering mistrust, exhibiting obsolescence and damaging Total Stakeholder Value – all in plain sight’

De kern van de kritiek is de catch-22, die geldt voor organisaties die voor het nut van het algemeen zouden moeten opereren, maar tegelijk gericht zijn op het maximaliseren van het inkomen van de partners/eigenaren. “The Big Four trumpet their revenue growth as though that, in itself, is a measure of its worth to society – rather than just an indicator of a business model that focuses solely on revenu.”

Het rapport doet ook een oproep op beroepsorganisaties en toezichthouders.  “De zwakte van de autoriteiten zendt een duidelijke signaal naar de Big Four, dat ze inmiddels  too big to fail zijn geworden. En dat geeft de partners als het ware carte blanche om zo verder te gaan.” Ook de beroepsorganisaties krijgen een veeg uit de pan: zij zouden niet genoeg doen om normen en waarden van het vak te waarborgen.

Kopieën van het rapport zijn te koop (!)  voor £ 15 via deze link. Voor meer informatie, contacteer stuart.woollard@omservices.org

PS: de maturity scores van de Big Four:

Organisational Maturity Ratings on OMINDEX:

  • Deloitte: OMR B ; Risk Factor 52.68%
  • PwC: OMR BB- ; Risk Factor 55.93%
  • EY: OMR BB- ; Risk Factor 56.49%
  • KPMG: B+ ; Risk Factor 58.86%

*The Maturity Institute provides a unique, evidence based approach to organizational health and the creation of Total Stakeholder Value. MI has created a new, revolutionary approach to organizational health by raising global standards of professionalism in organizational leadership and management practice. Our OM30 diagnostic instrument enables measurement and improvement of Total Stakeholder Value (TSV) created by organizations and provides ratings on OMINDEX: a comparative scale from D to AAA. Our work is multi-disciplinary and uses a whole system perspective, aiming to adopt the same level of evidence-based decision making to be found within the medical profession for human health. www.maturityinstitute.com

Pagina 1 of 3

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén